Boekrecensie: Contemporary Perspectives on Jane Jacobs
deze recensie verscheen eerder in S+RO | 01 2015 pp.60-62
Schubert, Dirk (2014), Contemporary Perspectives on Jane Jacobs. Reassessing the Impacts of an Urban Visionary. Ashgate Publishing Lmt. ISBN 978-1-4724-1004-7.
Jane Jacobs mag dan al acht jaar dood zijn, haar fameuze Death and Life of Great American Cities. The Failure of Town Planning al ruim 50 jaar geleden geschreven, haar naam wordt alleen al in Amsterdam nog dagelijks genoemd. Haar gedachten zijn nog springlevend in het ruimtelijk ordeningsdebat. De Nederlandse vertaling van dat beroemde boek (Dood en leven van grote Amerikaanse steden, Trancity 2009) kende recent een derde druk.
Vorig jaar kwam het boek Contemporary Perspectives on Jane Jacobs uit, een Engelse uitgave maar met een zwaar Duits accent, want de helft van de auteurs die aan deze bundel heeft bijgedragen is van Duitse origine. De auteurskeuze is gevarieerd: planners, stadssociologen, filosofen, economen, kunstenaars, actievoerders. Allen Jacobseans, maar niet van het kritiekloze soort. De meesten hebben een pittig essay ingeleverd bij redacteur Dirk Schubert, hoogleraar Urban Planning aan de HafenCity University Hamburg. In zijn introductie schetst Schubert de contouren van het boek dat Jane Jacobs volgt in haar genadeloze polemiek tegen stedenbouwkundige Daniel Burnhams statement ‘make big plans’! Ook in haar rede die Jacobs in 1981 in Hamburg gaf tijdens een conferentie over stedelijke vernieuwing en die als slothoofdstuk in het boek is opgenomen, gaat ze hierop in: ‘Big plans’ schreeuwen monotonie, stompzinnigheid en inflexibiliteit uit. Ook nu weer is het verrassend hoe fris en actueel ook die rede van ruim 30 jaren geleden nog is. Schubert zet de essentie van Jacobs’ denken over steden neer: vertrouw je ogen en je instincten.
Ondanks deze laatste treffende opmerking moeten de opvattingen van Jacobs niet gezien worden als een filosofie, stelt de filosofe Gratz: deze zijn een analyse van wat wel of niet werkt in een stad. En probeer die analyse maar eens onderuit te halen. Dat is nog niemand gelukt, stelt Gratz, en ik ben het hartgrondig met haar eens.
Prachtig is de beschrijving van de Canadese historicus Richard White over de stedenbouwkundige geschiedenis van Toronto tussen 1968 en 1978. Een aantal transformaties in die stad worden toegeschreven aan de invloed van activiste Jan Jacobs. White nuanceert dat, zo’n activiste was ze helemaal niet (ze sloeg verzoeken om lezingen en deelname aan inspraakavonden meestal af), maar wel een schrijfster van omverwerpende polemieken. Haar journalistieke acties in Toronto hadden grote invloed op verantwoordelijke bestuurders en urban planners aldaar. Al had Jacobs in Cincinnati gewoond, dan was haar invloed op de stadsontwikkeling van Toronto net zo groot geweest.
Mooi is de bijdrage van de Ierse Madeleine Leyes (lector in Film Studies aan het Trinity College in Dublin). Een microscopische analyse van het werk van Sharon Zukin in vergelijking tot Jacobs. Alhoewel Jacobs de term gentrification niet hanteert, ziet zij, anders dan Zukin, de herbewoning van oude stadswijken door de middenklasse als een positief signaal in een opbloeiende wijk. Wel wijst ze ook hier op de dreiging van monotonie als deze herbewoning bovenproportioneel is. Pittig is het verwijt aan Zukin dat “she is losing much of the nuance from Jacobs’s writing” (pp. 77). En passant sneert Leyes naar New Urbanism als een stroming die allesbehalve ‘urban’ is.
Contemporary Perspectives on Jane Jacobs is een veelzijdig boek, waarin Jacobs kritisch met andere grootheden als Kevin Lynch en Louis Wirth vergeleken wordt. Het deed mij deugd te lezen over de overeenkomsten tussen Jacobs en de in Nederland en de Angelsaksische wereld onbekende dan wel ondergewaardeerde Duitse stadssocioloog Hans-Paul Bahrdt. Ook boeiend zijn de essays over de invloed van Jacobs op ruimtelijke ordening in steden als Wenen en Berlijn, evenals de relevantie voor de Spaanse en Nederlandse stadsplanning. Een mooie anekdote in dit verband is dat Death and Life reeds in 1963 in het Duits vertaald is, in het Nederlands pas in 2009.
Het laatste deel van het boek gaat over de invloed van het denken van Jacobs op de actuele ruimtelijke ordening en stadplanning, en begint met een mooi hoofdstuk van Nederlandse makelij (Birgit Dulski en Gerben van Straaten). Zij schetsen de transformatie van een aanbod gestuurde woningmarkt naar een vraagmarkt ten tijde van krimpregio’s. Aantrekkelijke stedelijk woonbuurten zullen hierbij een doorslaggevend criterium zijn. Nederlandse steden hebben te weinig mixed uses, effectieve dichtheden, authenticiteit en trottoirs die voor verschillende doelen gebruikt kunnen worden. (Dat geldt mijns inziens zelfs voor Amsterdam: te weinig). Dulski en Van Straaten komen met drie nieuwe principes voor stedelijke ontwikkeling, waaronder het niet zo krampachtig betrachten van gentrification.
Het mooiste hoofdstuk vind ik het door Klaus Brake geschreven What Would Jane Jacobs Have Said and Her Relevance for Today and Tomorrow. Hij beschrijft minutieus de economische transities sinds de Tweede Wereldoorlog en de effecten daarvan op de stedelijke verschijningsvormen. Wij zien vandaag de ideaalbuurten van Jacobs, maar de duiding ervan is geheel anders. De door Jacobs beschreven stad uit de beginjaren ’60 als ‘organized complexity’ is veel minder complex dan de hedendaagse (succesvolle) buurten in (succesvolle) steden, simpelweg omdat de economische werkelijkheid inmiddels veel complexer is geworden. In de huidige kenniseconomie is nabijheid het ordenend principe. Kenniswerkers kunnen alleen maar opereren in omgevingen waar verschillende contacten mogelijk zijn en snel gelegd kunnen worden, waar werk continue zelf gemaakt moet worden en ‘verzekerde banen voor het leven’ verdampen, waar alertheid op veranderingen in economische bewegingen bittere noodzaak is, waar ondersteunende voorzieningen ‘om de hoek’ onmisbaar zijn. De buurt als workshop, plek voor retraite en ‘home’. Buurten zijn meer dan in de tijd van Jacobs productiemilieus, omgevingen met vele opties in een verdichte en diverse buurt. Het door Brake geïntroduceerde begrip ‘Optionsräume’ voor een buurt is dan veelzeggend. Brakes finale woorden: “Jacobs’s vision of the city has been outstripped both in the collective imagination as well as in its concrete foundations; however, in the expanation’s propagated approach – that the urban economy determines the respective type of city – she remains pathbreaking”.
Kortom, Contemporary Perspectives on Jane Jacobs is een must read voor hedendaagse stadsplanners en een heerlijk boek.
Weet je Monique, als je niets doet gebeurt er ook niets…
Het helpt natuurlijk geen mallemoer om een deels leegstaand megaproject in een stad met bovenmatig veel laagstand te bouwen, wat gespeend is van functionaliteit en stedenbouwkundige kwaliteit. Huisman een architect? Alsof je Sven Cramer opstelt als spits van Barcelona Football Club………Doordrenkt van prestige, dit overbodige plan. Verder zal dat Mijnwater als energiemonopolie ook niet echt helpen. Pure geldverkwisting!
Komt nog bij dat de ontsluiting met de zuidzijde van de stad er niet komt omdat de beoogde hotelbelegger geen cent te makken heeft en het als doorverkoopobject heeft aangekocht met een lege B.V..
Amsterdam is uniek om zijn scheggen en wordt daar terecht voor geprezen. Niet aan morrelen zou ik zeggen. Of volkstuinen daar in thuishoren is inderdaad een terechte vraag. Maar dat betekent toch niet dat je die ruimte direct moet volbouwen? Natuurlijk blijft Groengebied Amstelland om de hoek liggen, maar toch ook weer iets verder en de verbinding wordt weer zwakker. Een groene Scheg die tot diep de bebouwing van Amsterdam in loopt heeft ongekende waarden. Toen ik in de Afrikaander buurt woonde kon ik langs de Amstel binnen tien minuten naar een boer fietsen voor verse melk. Onderweg reed ik door het groen en vergat de drukte van de stad terwijl ik de weidevogels hoorde. Amsterdam een stad die verbonden is met de veenweiden er omheen. Onbetaalbaar. Probeer dat beeld in stand te houden.
Zou je niet eerst eens gaan kijken voor je dit soort dingen over Amstelglorie schrijft? 40% van het park is openbaar, het heeft reeds meerdere buurtfuncties en of het natuur is?? Ga eens kijken.
U draait de zaken om: De buurten rond de Van Woustraat zijn geen succes “dankzij de drukte van de Van Woustraat”, maar “ondanks de drukte van de Van Woustraat”.
Als je op de kaart de groene scheg bekijkt zie je dat in de loop van vele jaren de groene scheg langzaamaan is opgeknabbeld (Overamstel 1 en Amstelkwartier).. Amstelglorie is nu met het Oeverbos de kop van de Amstelscheg geworden. Die kop afhakken is een doodzonde. Ook doet de stelling afbreuk aan de sociale functie van het volkstuinieren dat daar al 65 jaar plaats vindt en de populariteit van de bevolking (want de wachtlijst is met zo groot als het aantal tuinen). Dus afblijven van Amstelglorie.
Ja, de natuur met biodiversiteit in de Amstelscheg is inderdaad niet zo maar vervangbaar, zeker niet door een monotoon strookje kaalgeschoren gras evenwijdig aan de Amstel zoals op de foto hierboven te zien is.
Dat de Van Woustraat/Rijnstraat in bovenstaande tekst wordt bejubelt als prettige rustige voorbeeldstraat is mij een raadsel. De verkeerssituatie is zo problematisch dat de gemeente Amsterdam deze straat al jaren aan het verbeteren is. Het is een drukke straat met een tram en veel soorten verkeer. Tot de Utrechtsebrug is de straat onderdeel van Plus net fiets en over de brug Plus net auto.
Ik mis onderbouwing van de bewering dat het Volkstuincomplex Amstelglorie een rare groene vlek zou zijn.
Wat ik mij afvraag is waarom er niet rondom de volkstuin parken wordt gebouwd. Je kan de complexen iets meer als een park inrichten met hier en daar een verblijfruimte en ze als park incorporeren. Jeanine Bret.
Mooi Jos, ik heb ook van Jacques’ colleges genoten.
Over Heerlen gesproken.
Toevallig een stukje station gezien… Verbaasd verwonderd!!!
Niet veel tijd.maar kwam bewust
een keer terug om te kijken.
En was erg onder de indruk over
Zo veel schoonheid prachtig.
Ging zitten op het oude café dat er mooi verzorgd uit zag, en genoot, al pratende met enkele toevallige medebewonderaars.
Daarna wandelend door de straat
Waar etalages en niets er verzorgd uit zag waar een onderneemster mij bijna kwaad
aan keek om dat ik het waagde
Het station mooi te vinden.
Dat was 2019 20 ik weet niet hoe het nu is???
Maar ik hoop nog vaak zoiets moois te zien wat m’n hart raakt.
Jaren geleden woonde ik nog in Heerlen. Toen al wist je dat het maankwartier er koste wat kost zou moeten komen. Lang voordat de crisis begon. Een prestige kwestie? Laten we hopen dat het Heerlen een stapje verder brengt. Ik betwijfel het!